Natuur

Bloedstollend: trombose en longembolie (deel 3)

Wil je het verhaal een beetje snappen, lees dan eerst deel 1 en 2.

Vrijdag 17 oktober 2008, 09.30 uur, locatie: het elektrisch bedienbare bed van mijn vader en Loes in Empe

Ik hijs me met de oversized badjas, die ik ongevraagd geleend heb van mijn vader, in bed. Lekker warm. Prima voor zo’n koukleum als ik. Charmant is het niet. Het woord ‘sexy’ past al helemaal niet in deze context. Nu weet ik ook bijna zeker dat mijn toekomstige ideale man zich niet in Empe bevindt, aangezien hier zo weinig mensen wonen dat ik ze allemaal weleens gezien heb. En zij mij.

Onder de genoemde badjas verbergt zich een oud T-shirt en een dito grijze joggingbroek die niet zou misstaan in het huishouden van Ma Flodder. Mijn ‘net uit bed kapsel’ zou in datzelfde huishouden ook niet voor veel opschudding zorgen.

Ik geef de afstandbediening opdracht om de matras omhoog te bewegen, zodat ik lekker rechtop kan zitten. Als een kleutertje die net een nieuw speledingetje heeft ontdekt, druk ik giechelend net zolang op het knopje dat ik mezelf bijna dubbelvouw.

Aan de rechterkant zit Loes op een normale volwassen manier, rechtop in haar eigen badjas die wel past. Bij mij daarentegen, hangt er wel een halve meter mouw te bungelen aan beide armen. Ik probeer dit op te lossen door de boel een beetje op te rollen. Zie daar komt een hand tevoorschijn die het komende half uur de mobiele telefoon opdracht zal geven om de dokter te ‘heroproepen’. Er is met geen mogelijkheid doorheen te komen. De ingesprektoon galmt inmiddels als een bekend riedeltje door mijn hoofd.

Loes heeft een voorsprong, zij is al ruim tien minuten bezig om mijn huisarts te bereiken. In de tussentijd heeft ze haar dokter wel weten te bereiken om een paar trombosespuiten voor zichzelf bij te bestellen.

Het is lekker warm in de badjas met het dikke dekbed om me heen, maar het heeft er niet toe bijgedragen dat de doktersassistente onze oproepen beantwoord heeft. Om 10.00 uur wordt de ingesprektoon vervangen door een bandje waarop een stem zegt dat het volgende telefonische spreekuur om 10.30 uur zal zijn. De stem meldt ook dat het spoednummer alleen voor dringende spoedgevallen gebeld mag worden. Ik wil niet de tweede keer deze week tot een spoedgevalletje gebombardeerd worden.We besluiten om te wachten tot 10.30 uur en het lekkere warme bed zuchtend en steunend te verlaten om een ontbijtje te maken.

Ik vul de ochtend met de inmiddels bekende ‘auw’ geluidjes en grijp af en toe naar mijn ribbenkast om te voelen of niet iemand per ongeluk een mes ertussen heeft gestoken en deze heen en weer schuift en rondjes laat draaien. Dat zou namelijk de pijn wel een beetje verklaren. Dan weet je tenminste waar het vandaan komt en dan kun je de steker vriendelijk verzoeken het mes uit mijn ribbenkast te verwijderen. Mijn schouder doet inmiddels zo veel pijn dat ik deze bijna niet aan kan raken. Het voelt of deze ontstoken is.

Om 10.30 uur starten we met goede hoop weer een belsessie met de dokter. Beide mobiele telefoons liggen op tafel met de opdracht: ‘heroproepen’. Om 11.25 uur gaat dan eindelijk mijn mobiele telefoon om aan te geven dat het contact heeft gekregen met de huisartsenpraktijk. Ik leg uit dat ik gisteren de huisartsenpost heb gebeld en vandaag foto’s moet laten maken en mijn longen moet laten luisteren door de dokter. ‘Het zal heel moeilijk, zo niet onmogelijk worden om vandaag nog foto’s te laten maken! Ik kan niet zomaar met de afdeling radiologie bellen en je even inplannen, daarvoor moet de dokter naar het ziekenhuis bellen en het moet echt spoed zijn.’ Ik begin het allemaal een beetje zat te worden en overweeg om maar gewoon een sterke pijnstiller aan te vragen en zo het weekend door te komen. Zien we maandag wel weer verder. De doktersassistente geeft aan dat ze het toch even gaat overleggen en belooft mij hierover terug te bellen.

Aangezien ik op een representatieve manier foto’s wil laten maken van mijn longen, lijkt het me handig dat ik even onder de douche spring en mij ga aankleden en opmaken. Ik ben niet echt de snelste in de ochtend, heb zo mijn ritueeltjes, uitslapen en opwarmen onder de douche, lekker kopje thee zetten, nieuws kijken, samen met Lisa ontbijten aan tafel… Snel zijn kan ik wel, alleen als het moet. Dit is typisch zo’n ‘als het moet situatie’. Na tien minuten neem ik afscheid van de heerlijke, warme, ontspannende waterstralen van de douche en hijs me in mijn spijkerbroek en shirt. Ik heb Loes tot mijn plaatsvervangend telefoonbeantwoordster benoemd, voor als de doktersassistente terugbelt terwijl ik nog sta te douchen. Ik draai de handdoek als een tulband om mijn hoofd en geef Loes een seintje dat zij kan douchen.

Terwijl ik een royale klodder mascara op mijn wimpers aanbreng, hoor ik mijn telefoon gaan. De doktersassistente heeft inmiddels overlegd met de dokter. ‘De dokter wil graag wat meer weten. Zit de pijn aan de ademhaling vast? En heb je ook last van je ribben?’ ‘Jazeker, de pijn is constant, maar de pijn wordt erger als ik diep ademhaal, dus dat doe ik dan ook maar niet. Soms wil mijn lichaam dit even compenseren door een diepe teug adem te halen, maar dat is bijna niet te doen, qua pijn. En ja, mijn ribben doen ook erg pijn.’ ‘Goed, dat is duidelijk, ik ga nog even terug naar de dokter en bel je om aan te geven of de dokter het nodig vindt om vandaag foto’s te laten maken. Ze wil je in elk geval wel zien op het spreekuur om 15.10 uur.’ Ik antwoord dat dit akkoord is en hang weer op.

Nog geen tien minuten later word ik weer teruggebeld. ‘Om kwart over één kun je terecht op de afdeling radiologie van het Lukas ziekenhuis voor het maken van foto’s. De dokter wil niet alleen foto’s van de longen maar ook van je ribben laten maken. Red je dat? Het is nu namelijk al half één en je moet de doorverwijzing nog even bij ons komen ophalen.’ ‘Ja, we moeten vanuit Empe komen (alsof zij weet waar dat ligt), maar dat gaat wel lukken! Heel erg bedankt voor je moeite!’ antwoord ik terwijl ik ondertussen probeer de klitten uit mijn haar te kammen.

Loes is van het snellere soort en is in een mum van tijd klaar. Mijn dochter combineert zes dingen tegelijk, van het kammen van haar haar met haar I-pod in haar oren en het poetsen van haar tanden, terwijl ze haar favoriete nummer zoekt, tot het aantrekken van haar schoenen, terwijl ze het volume opschroeft.

Krap aan zitten we om 12.50 uur in de auto en sjezen we naar de huisartsenpraktijk om de doorverwijzing, ‘foto torso en ribben’ op te halen.

Als we plaatsnemen in de wachtruimte van de afdeling radiologie, huiver ik wanneer ik een vlekje voor mijn ogen zie, wat soms betekent dat er migraine op komst is. Sinds de pil is voorgeschreven als middel tegen migraine een half jaar geleden, heb ik inderdaad geen migraine meer gehad. Ik doe een schietgebedje naar boven, want op een migraineaanval zit ik niet te wachten. ‘Nee, ik zie geen vlekje daar op die deur, het ligt echt aan jou’, antwoordt Loes als ik vraag of zij het ook ziet, het witte, wazige vlekje op de groene deur. ‘Misschien ben je toch wel zenuwachtig. Je hebt ook al sinds dinsdag bijna niet geslapen. Probeer je even te ontspannen. Ga even lekker zitten, het komt wel goed. Het zijn vrouwen die de foto’s nemen dus je hoeft niet bang te zijn dat je daar halfbloot voor een mannelijke dokter komt te staan’. Loes weet precies de oorzaak van mijn zenuwen te treffen. En ze heeft gelijk. Een aardige assistente van het vrouwelijke ras neemt de foto’s. Ondertussen stelt ze mij gerichte vragen en moet ik het verhaal opnieuw vertellen. Het valt me op hoeveel aandacht ze voor mij heeft en dit geeft mij en prettig gevoel.

Een kwartier later komt de assistente samen met wat ik denk, de radioloog naar mij toe of ik even mee wil lopen. Om de hoek op de gang (!) vertellen ze mij dat ze niets op de foto zien, geen ingeklapte long of longontsteking. ‘We hebben overlegd met je huisarts en we denken toch aan een longembolie gezien je verhaal en je klachten. We verwijzen je even naar de spoedeisende hulp, daar kunnen ze je verder onderzoeken.’ De assistente loopt met Loes, Lisa en mij mee naar de spoedeisende hulp. Ik krijg voorrang op het gezin en de oude vrouw die in de wachtruimte zitten. Ik voel me een beetje schuldig als ik naar het oude mensje kijk.
Er mag maar één persoon met me mee. Loes wendt zich naar Lisa. ‘Lisa, vind je het erg als ik meega? Dan kan ik ook vragen stellen. Ik kom zo wel weer terug, goed?’ Lisa knikt en vervolgt haar spelletje op de Nintendo DS. Allang blij dat ze niet tussen de gewonden hoeft te zitten. Alleen bij de aanblik van een spuit wordt ze al niet goed.

Een sympathiek ogende broeder geeft ons een hand en stelt zich voor als ‘Joost’. Hij vraagt mij plaats te nemen op het bed en sluit de gordijnen om de ruimte om het bed. Loes mag op de stoel naast het bed zitten. Dit bed heeft ook een elektrische verstelbare bodem en voor ik het weet word ik weer rechtop gehesen. Joost neemt mijn bloeddruk op en aan de rechterkant rolt een zuster mijn mouw op om vier buisjes bloed af te nemen. Ze sjort geroutineerd een groene band om mijn bovenarm en steekt de naald in mijn arm. Ik zie mijn donkerrode bloed in de buisjes glijden. Loes kijkt mee op het beeldscherm waarop mijn bloeddruk te zien is. ‘Onderdruk 92? Nou, toen mijn onderdruk vorige week 92 was, moest ik gelijk blijven’. Inwendig dank ik Loes op een cynische manier hartelijk. ‘Ik wil niet blijven. Zeg dat nu niet.’ Joost stelt me gerust. ‘Ja, maar dan had je waarschijnlijk niet alleen een hoge onderdruk, dan was er veel meer aan de hand, toch?’ Hij kijkt in de richting van Loes. Loes beaamt dit en ik ‘bedank’ haar nu uitwendig. ‘Niet meer zeggen joh, straks breng je ze nog op ideeën!’

Joost drukt de oorthermometer in mijn linkeroor en merkt een temperatuur van 38 graden Celsius op. Ik ben verrast, heb niet echt het gevoel verhoging te hebben. Loes loopt even naar buiten om te kijken hoe het met Lisa is en om Laila te bellen. Ze vraagt of Laila Lisa op wil halen van de eerste hulp omdat het waarschijnlijk wel even kan duren en het niet leuk is als ze daar alleen zit te wachten. ‘Natuurlijk!’ zegt Laila en belooft zo snel mogelijk te komen en vraagt of we haar op de hoogte houden van mijn situatie. In de tussentijd krijg ik wat zuignappen op mijn lijf gedrukt om een hartfilmpje te maken. Joost zegt dat hij een tweede hartfilmpje moet maken en vraagt of ik tussendoor even niet zo veel wil praten. Loes is inmiddels weer terug en samen kletsen we gezellig verder. Joost kijkt af en toe bedenkelijk, helemaal als we zeggen dat we het best gezellig vinden hier. Ik vermoed dat ze niet vaak van die vrolijke mensen tegenkomen op de eerste hulp.

Joost vertelt dat mijn bloed onderzocht wordt en dat de uitslag hiervan wel anderhalf uur kan duren. Een uur geleden zocht ik tevergeefs al naar iets eetbaars in mijn tas en mijn maag protesteert inmiddels luidruchtig tegen het idee om nog langer zonder voedsel te zitten. Op de achtergrond hoor ik een andere maag zich aansluiten bij het protest van de mijne. Loes besluit oplossingsgericht te werk te gaan en vraagt: ‘Joost, we hebben héééél erg honger, we hebben nog niets gegeten, mogen we in de tussentijd niet even naar beneden om een broodje te eten?’ Joost belooft het te overleggen met de arts en laat het ons zo weten. Het verlossende antwoord komt met een minuut of vijf en we wandelen triomfantelijk door de gangen naar de klapdeuren met daarop ‘uitgang’. ‘Het is echt spierpijn hoor! Of straks komen ze met de uitslag: u heeft aanstelleritis’. Ik giechel. ‘Nou’, zegt Loes, ‘dan heb je in elk geval een ontsteking, want alles wat op ‘itis’ eindigt, is een ontsteking. Ontspannen en lachend lopen we richting het restaurant.

Voordat we een keuze maken uit het voedselassortiment van het ziekenhuisrestaurant, belt Loes mijn vader en haar ouders en ik mijn zusje om hen op de hoogte te brengen van de laatste ontwikkelingen. ‘Wen! Straks heb je een longembolie! Jeetje!’ schreeuwt mijn zusje in mijn oor. Gelukkig heb ik ook connecties met KNO-arts dus ik maak me niet al teveel zorgen. ‘Welnee, het is echt niets ergs, ze doen dit gewoon voor de zekerheid. Wel goed dat ze het doen, ze willen het gewoon uitsluiten. Ik hou je op de hoogte, ok?’ ‘Ja, doe dat maar, wel bellen hè?.’ Met de verbinding verbreek ik ook het uitzicht op de leuke jongen aan de statafel.

We gaan voor de broodjes met geitenkaas en honing. Ik besluit geheel tegen mijn principes geen probleem te maken van de haar die tussen het broodje zit en besluit me eroverheen te zetten. Ik vis ‘m eruit en neem een hap. De honing druipt langs mijn vingers. Met de andere hand type ik wat sms-jes naar twee vriendinnen en naar mijn ex-vriendje Gabriël die inmiddels in Sardinië woont en ook graag op de hoogte gehouden wilde worden.

‘Zo’n aardige man die Joost, ik voelde me echt op mijn gemak bij hem, zelfs toen hij een hartfilmpje maakte,’ mompel ik met volle mond tegen Loes. Loes kijkt me een beetje gek aan. Ik hoor een stem achter mijn rug die zegt: ‘mevrouw Borst, ik moet je vragen om even met me mee te gaan’. Ik draai me om en zie Joost achter me staan. Hij legt zijn handen op mijn schouders en ik zeg lachend: ‘Dat is ook toevallig! Ik zeg net dat je zo aardig bent!’ Hij glimlacht maar benadrukt dat ik echt even mee moet komen. ‘Maar… mijn broodje..’ protesteer ik. ‘Die neemt je vriendin wel voor je mee, toch?’Hij kijkt Loes aan die knikt en al proactief bezig is een servetje te zoeken voor mijn broodje. Ze wil opstaan maar Joost zegt dat ze rustig haar broodje op kan eten, ze mag toch niet bij het onderzoek zijn. ‘Kom zo maar weer naar de spoedeisende hulp!’ Ik laat Loes achter en loop braaf achter Joost aan.

‘We hebben al wat uitslagen van je bloed binnen en we hebben een ernstige verdenking in de richting van een longembolie. Daarom krijg je nu een CT-scan. Hij legt uit dat er een infuus wordt aangebracht waarin wat contrastvloeistof wordt gespoten zodat ze mijn longvaten in beeld kunnen brengen en een eventuele longembolie op kunnen sporen. Nog steeds ontspannen en ervan overtuigd dat ik gewoon iets van spierpijn heb, wandelen we naar de ruimte waarin de CT-scan zal worden afgenomen. Joost pakt onderweg een blauwe rolstoel en vertelt dat ik misschien niet lekker word van de contrastvloeistof en dat ik op de terugweg lekker in de stoel mag zitten. Ik kijk een beetje bedenkelijk naar de stoel maar besluit me geen zorgen te maken. Als ik alleen zit in de wachtruimte, voel ik heel even een gevoel voorbij komen dat het niet gek zou zijn dat ik me wél een beetje zorgen maak, maar richt me weer op het positieve. Ik dank god op mijn inmiddels blote knieën dat ik mijn veiligheidshempje heb aangedaan als ik hoor dat ik mijn broekje en eventueel topje aan mag houden. Ik draag altijd overal topjes onder. Gekscherend noem ik deze dus veiligheidshempjes.

De assistente duwt een naald in mijn arm en vertelt al duwend dat mijn ader vrij nauw is en dat het niet in één keer lukt. Dat voelde ik al wel. Toelichting is vrij overbodig.

Ze legt uit dat ik een warmtesensatie zal voelen en dat het zal lijken alsof ik in mijn broek plas. Ik vraag een beetje benauwd of het niet echt is dat je hiervan moet plassen, in de angst dat ik straks een natte tafel achter moet laten. Ze lacht en overtuigt me ervan dat het een gevoel is en niet echt. Ik moet mijn armen naast mijn hoofd neerleggen en als ik onder een soort ‘draaiende boog’ doorga, moet ik mijn adem inhouden. De tweede keer dat ik door de scan heenga, wordt de vloeistof ingespoten en krijg ik het heerlijk warm en ja! het lijkt alsof ik in mijn broek plas, een heel aparte gewaarwording. Ik moet weer mijn adem inhouden en sjoemel een beetje door kleine scheutjes adem uit te blazen, het lukt gewoon niet om mijn adem goed vast te houden. De assistente vertelt dat ze zag dat ik het niet volhield en dat ze erom hebben moeten lachen. Gelukkig maakt het niet uit en mag ik me weer aankleden.

Joost staat al op me te wachten met zijn blauwe rolstoel. Ik zeg eigenwijs dat ik er niet in ga zitten, ik heb nergens last van. Joost doet alsof hij moppert dat ie dan voor niets een rolstoel aan het duwen is. ‘Ik ben toch nog een beetje te jong voor dit soort gekke dingen als een longembolie, niet?’ vraag ik aan Joost. ‘Nou’, zegt Joost, ‘dat zegt niet altijd wat’. ‘Hoe was het?’, vraagt Joost die aangeeft zelf nog nooit een CT-scan te hebben gehad. ‘Nou, het viel heel erg mee, het leek alleen alsof ik in mijn broek plaste. De contrastvloeistof was wel lekker warm!’ ‘Oh, je wil nu zeker een shotje mee naar huis?’ lacht Joost. ‘Kan dat?’ vraag ik giechelend.

Loes zit al trouw in het stoeltje naast het bed op me te wachten. Ze wijst naar het infuus dat uit mijn mouw bungelt. ‘Ja, die wilden ze er nog even in laten zitten voor de zekerheid’, leg ik uit. ‘Is maar goed dat Daisy niet mee is! Als ze dit had gezien…’, lacht Loes. ‘…. Dan had ik op jouw stoel gezeten en Daisy op het bed gelegen’, maak ik haar zin af. We lachen hartelijk om Daisy en de beelden die we krijgen wanneer we ons voorstellen dat zij met mij mee was gegaan.

De assistent-arts Lianne, komt bij ons zitten om wat vragen te stellen. ‘Heb je de laatste tijd misschien pijn in je been of benen gehad?’ ‘Ja!’ zeggen Loes en ik in koor. ‘Een week ofzo geleden heb ik een dag of vier kramp in mijn kuit gehad, een blessure denk ik’, vervolg ik. ‘Het was ook een beetje warm mijn kuit en mijn kuit was helemaal hard.’ ‘Ja, ja, antwoordt Lianne en kijkt me een beetje bedenkelijk aan. Een blik die al velen mij geschonken hebben. ‘Mag ik even je kuiten voelen?’ vraagt ze. ‘Ja, tuurlijk, maar ik heb wel stoppels hoor!’ Ze laat zich hier niet door weerhouden en knijpt wat in mijn kuiten. Ze vraagt wat voor ziekten er in mijn familie voorkomen en Loes vertelt over de hart- en vaatproblemen bij mijn vader. Lianne begint driftig te schrijven.

Twintig andere vragen verder en een veelbetekende blik die ik niet opmerk verder, zegt Lianne dat ze moet wachten op de uitslag en dat het nog wel even kan duren.

Onze mobiele telefoons liggen op het bed en ik druk de bellers consequent weg. Uitzetten komt niet in mijn gedachten op. Aannemen lijkt me niet zo geschikt op de eerste hulp en de ontvangst is hier ook niet om over naar huis te schrijven, of te bellen in dit geval.

‘Hey! ‘Poepie’ belt!’ zeg ik tegen Loes als ik voor de zoveelste keer de display van haar telefoon zie oplichten. ‘Ja, dat is je vader, maar ik ga hier niet opnemen, ik hoor hem toch niet en hij mij niet’. Ook mijn display licht op en vermeldt de ongeduldige beller: ‘Daisy’. We besluiten onze telefoons maar in onze tassen te gooien en verder te lummelen.

‘Ik denk niet dat je een longembolie hebt, hoor’, zegt Loes. ‘Mijn collega had dat ook begin dit jaar en zij had echt een afschuwelijke, heftige pijn. Kwam ineens op. Ze is er maanden tussenuit geweest’. ‘Nee, dat heb ik niet. Bij mij kwam het niet ineens op en… nee, ik heb dat gewoon niet. Spierpijn, dat is het. Ik zit me gewoon een beetje aan te stellen’.
De gordijnen schuiven open en Lianne komt met een ‘ernstig’ gezicht op het zwarte stoeltje zitten. Ze slaat haar benen over elkaar. ‘De uitslag van het bloed en de CT-scan is binnen. Je hebt inderdaad een longembolie. Meerdere longemboliën zelfs.’ ‘Oh…ok’, zeg ik. Waar ik verbaasd of geschrokken zou moeten zijn, is Loes het. ‘huh? Wél een longembolie?’ stamelt ze.

‘Ik ben niet verbaasd’, zeg ik. En tot mijn eigen verbazing, meen ik het ook. ‘Waarom niet?’ vraagt Lianne. ‘Ik kon me eigenlijk niet voorstellen dat de pijn die ik had, niets was. Het voelde wel als spierpijn, maar het was eigenlijk te heftig. Het leek wel alsof ik een hartinfarct kreeg ofzo.’ ‘Ja, alle symptomen die je had, passen bij trombose en bij een longembolie. Jij hebt er alleen meerdere. Het is begonnen bij trombose in je been. Waarmee je bent doorgelopen’, ze kijkt me een beetje streng aan. Normaal word je opgenomen met een trombose in je been zodat het stolsel niet naar je longen schiet. Dat is bij jou wel gebeurd. En dit heeft geresulteerd in longemboliën. Je mag blij zijn dat je hier nu zit. Het is een hele serieuze aandoening. Als je door was blijven lopen, had je het wellicht niet na kunnen vertellen. Ik kijk Loes aan en zeg: ‘dank je wel , Loes, voor het redden van mijn leven.’ Loes lach bescheiden, richt zich op Lianne en stelt allemaal vragen waar ik nooit op zou zijn gekomen. Loes en Lianne zijn druk in gesprek en ik wip een beetje heen en weer met mijn benen.

Lianne en een andere zuster, toevallig een oude vriendin van Loes, leggen mij uit wat het betekent om trombose en longemboliën te hebben en wat voor consequenties dit heeft voor de rest van mijn leven. Je kunt er goed mee leven, er is geen blijvende schade. Ik moet voorlopig om de drie dagen bloed prikken bij de trombosedienst om de dikte van mijn bloed te monitoren, bloedverdunners slikken, een STEUNKOUS (!) dragen om mijn rechterbeen (Zal ik Esprit bellen om een paar leuke te ontwerpen?) en at last but not least….

… mezelf elke dag injecteren met bloedverdunners met de spuiten waarmee ik Loes elke keer zat te pesten…

Zij spuit ter voorkoming van een trombose, ik omdat ik er al één heb gehad. Hoe toevallig.

De zuster zegt dat ik meteen zes pillen van de bloedverdunners moet nemen en een injectie. Wil ik het zelfdoen? Loes haar mondhoeken reiken inmiddels naar haar wenkbrauwen. Ik zou zweren dat ze er gemeen bij lacht. ‘Ja! Zegt Loes! Dat kan ze zeker zelf doen!’ Ik kijk naar de naald die dikker en groter blijkt te zijn dan een insulinespuit en aarzel. ‘Jij mag het ook doen!’ zeg ik tegen Loes. ‘Ik vertrouw jou wel!’ en ik doel op het feit dat ze niet wilde dat ik haar de trombosespuit toediende vorige week. ‘Oh nee! Je doet het maar mooi zelf!’ de zuster onderbreekt het tafereel en fluistert: ‘zal ik het even doen?’ Ik fluister ’ja’ en ik mag lekker gaan liggen. Ik mag kiezen tussen mijn bil, been of buik en kies voor mijn buik. Ik merk niet eens dat ze de bloedverdunner ingespoten heeft. Met een stapel folders over trombose en longembolie, recepten voor de spuiten en bloedverdunners in mijn tas word ik ontslagen. We bedanken de zusters en vooral Joost voor de goede zorgen en verlaten het ziekenhuis. Loes vraagt nog aan de zuster of ik mag werken omdat ze wil voorkomen dat ik gelijk maandag weer aan de slag mag maar de zuster zegt ‘Ja, in principe kan ze wel werken als de pijn minder wordt, maar ze moet wel heel rustig aan doen. Het is wel verstandig om een weekje rust te nemen, al is het alleen maar om door te laten dringen wat er aan de hand is en bij te komen van alles.’

‘Ik heb deze week al een week vakantie gehad’, negeer ik Loes haar strengestiefmoederblik en we lopen richting de apotheek van het ziekenhuis. Het is 17.30 uur als we eindelijk naar huis kunnen gaan.